Ramppuzzel nog niet opgelost

ENSCHEDE - Twee ervaren rechercheurs hebben forse kritiek op het enorme onderzoek van politie en justitie naar de vuurwerkramp, waar zij zelf aan meewerkten. ‘Wij vinden het onze plicht om aan waarheidsvinding te doen, tot alles is uitgerechercheerd, en dat is het nu absoluut nog niet.’

In het voorjaar van 2002 kondigt de politie Twente een ‘terugkomdag’ aan voor het Tolteam dat de ramp van 13 mei 2000 onderzocht. De bijeenkomst zal op 14 mei worden gehouden in café Sprakel aan de Dorpsstraat in Lonneker en bevat een evaluatie van het werk van het onderzoeksteam.

Een maand eerder heeft de inmiddels voormalige Almelose officier van justitie H. Stam openlijk verklaard dat ‘alles’ in het ramponderzoek is onderzocht. Ofwel: het Tolteam is klaar met haar werk, tijd om terug te kijken.

Maar de uitnodiging voor de bijeenkomst stuit de brigadiers Jan Paalman en Charl de Roy van Zuydewijn tegen de borst. Beiden zijn vanaf het begin betrokken geweest bij het giga-onderzoek naar het drama in Enschede, waarbij 22 doden en duizend gewonden vielen en een woonwijk werd verwoest.

Paalman en De Roy van Zuydewijn vinden dat het ‘echte onderzoek nog niet is afgesloten’. Op 10 mei sturen ze daarom een mailtje naar recherchechef Rik de Boer, met de mededeling dat ze niet naar de ‘terugkomdag’ komen.

De twee spreken over een onderzoek waarin ‘na mei 2001 tot mei 2002 alleen is gezocht naar daderschap van De V. en inhoudelijk verder niets’. De V. wordt op 26 januari 2001 aangehouden als verdachte. Begin februari is hij, zo schrijven de rechercheurs, ‘plotseling de man die het gedaan heeft’.

Alles anders
Na de arrestatie van De V. ‘werd alles anders’. ‘Er werd alleen maar gezocht naar aanwijzingen dat hij de dader was. De V. had het gedaan, punt uit. In februari/maart 2001 is ervoor gekozen om hoe dan ook De V. te laten hangen’, schrijven ze in mei 2002 in een interne notitie waarover deze krant beschikt.

Het gevolg van dit ‘tunneldenken’ is volgens Paalman en De Roy van Zuydewijn dat zaken in De V.’s voordeel worden ‘verzwegen’ of geen aandacht krijgen. De rechercheurs geven hiervan verschillende voorbeelden.

Zo wordt De V. opgepakt, omdat er zaterdagmiddag 13 mei 2000 met zijn mobiele telefoon vanuit het rampgebied zou zijn gebeld. Maar eind februari/begin maart komen de beide rechercheurs op basis van onderzoek tot de conclusie dat het gsm-toestel vermoedelijk niet aan de verdachte Enschedeër kan worden toegeschreven.

Als de brigadiers deze bevindingen willen vastleggen in een proces-verbaal, wordt dat door hogerhand tegengehouden, omdat het tactisch beter zou zijn om even te wachten. Officier van justitie Stam is niet blij met hun opmerkingen over de mobiele telefoon. ‘Dan ben ik mijn verdachte kwijt’, zou hij letterlijk hebben gezegd. ‘Wij delen’, staat in de interne notitie, ‘Stam mede dat er best een andere verdachte kan zijn. Hij kijkt ons verbaasd aan en zegt: Hoezo? Het hele team denkt toch dat De V. de dader is?’

De volgende morgen krijgen de rechercheurs in een briefing de wind van voren. Volgens een leidinggevende politiefunctionaris hadden Paalman en De Roy van Zuydewijn tegen Stam moeten zeggen dat ook zij dachten dat De V. de dader is. ‘Echter, bij de leiding was bekend dat wij hem zagen als verdachte, maar niet als dader. De puzzel klopt niet, er is te veel gebreid en gekleurd’, schrijven ze.

In het opgenomen gesprek via de gsm die van De V. zou zijn, spreekt een vrouw. Bij de brigadiers leeft het idee dat vanaf het begin bekend was dat dit dus niet de stem van De V. kon zijn. ‘Maar, als de gsm (als bewijsmiddel, red.) zou wegvallen, zou De V. de straat op gaan. Daarom was het de bedoeling een waas van onzekerheid rond de gsm te houden. Dit is een zeer kwalijke zaak. Het opzettelijk achterhouden van ontlastende stukken voor een verdachte is strafbaar’, aldus Paalman en De Roy van Zuydewijn.

Verder vangt Paalman op 31 januari 2001 een gesprek op tussen een hulpofficier van justitie en een politieman die een getuige verhoort, onder meer over het tijdstip dat De V. op 13 mei 2000 bij recreatieplas Het Rutbeek zou zijn gearriveerd. ‘Je moet’, hoort Paalman de hulpofficier tegen de politieman zeggen, ‘de getuige laten verklaren dat De V. tussen de twee knallen (bij Fireworks, red.) op Het Rutbeek komt en daarna gelijk weer weggaat. Dan hebben we hem met zijn telefoon om 15.10 en 15.55 uur in het rampgebied.’

Bij een andere getuige wordt op een formulier geschreven dat hij erkend meineed te hebben gepleegd over het tijdstip van De V.’s aankomst op Het Rutbeek, terwijl de man dat heeft ontkend. Paalman en De Roy van Zuydewijn maken daar de hulpofficier attent op, die zegt dat hij dat zal veranderen. Als de getuige echter later wordt voorgeleid voor de rechter-commissaris, blijkt die belangrijke wijziging niet te zijn aangebracht.

In een ander proces-verbaal staat dat het signalement van een getuige overeenkomt met het signalement van De V. Dat terwijl beide signalementen niet op elkaar lijken, stellen de brigadiers.

Klusjesman
Paalman en De Roy van Zuydewijn vinden het politieonderzoek naar de rol van de 60-jarige klusjesman K. van het ontplofte vuurwerkbedrijf onvoldoende. K. is, voor zover bekend, de enige en laatste medewerker die (kort) voor de ramp op het Fireworksterrein is geweest, om een waterspuit te lenen. Hij ontkent dat aanvankelijk en legt hierover later allerlei tegenstrijdige verklaringen af.

Bovendien komt er in augustus 2000 informatie van de Criminele Inlichtingendienst (CID) uit Friesland, dat K. ‘meer weet omtrent de oorzaak en de toedracht van de ramp’. Daar komt bij K. zich op het politiebureau laat ontvallen dat ze hem doodmaken ‘als ik dat vertel’.

De brigadiers: ‘In Groningen (waar K. nu woont, red.) zit een mannetje dat alles weet, maar niet mag worden benaderd.’ Ze verzoeken hun meerderen herhaaldelijk hen toestemming te geven om K. nader aan de tand te voelen. Maar het antwoord is consequent ‘nee’. De leiding vindt dat K. is ‘afgehoord’ en ‘helemaal leeg’ is. Ze mogen ook niet naar de CID in Friesland en Paalman krijgt een veeg uit de pan van een leidinggevende: ‘Ik word ziek van jou en je K. Hier gebeurt verder niets mee.’

Opvallend is verder dat het afluisteren van K. op een cruciaal moment, door een technisch mankement, de mist in is gegaan. Dat gebeurt op 28 april 2001, als K. thuiskomt na een indringend en beladen verhoor door beide brigadiers. De rechercheurs verwachten dat K. over dat verhoor zal (na)praten met zijn vrouw en dingen gaat zeggen die mogelijk duiden op zijn vermeende betrokkenheid bij de ramp.

In een proces-verbaal meldt het Tolteam dat het gesprek niet is opgenomen. Maar in een ander stuk staat dat de opnameapparatuur wel goed heeft gewerkt en er geen bijzonderheden zijn. Hoe dan ook, bij de twee rechercheurs bestaat de indruk dat de opnameapparatuur om ‘politieke reden’ niet heeft gewerkt; dat er dus mee is geknoeid.

Paalman en De Roy van Zuydewijn vinden ook dat het onderzoek naar Fireworksdirecteur Willy Pater en zijn familie te wensen overlaat. Zijn alibi voor zaterdagmiddag 13 mei 2000 ‘zit niet dicht’, in tegenstelling tot dat van mede-directeur Rudi Bakker, schrijven ze in hun interne notitie.

Verder vragen ze zich af waarom een getuige die zegt op 13 mei 2000, vlak voor de ramp, vlak bij S.E. Fireworks met Pater te hebben gesproken, door aanklager Stam als ‘onbetrouwbaar’ is afgedaan. Waarom is deze getuige niet naar de rechter-commissaris gestuurd om onder ede te worden gehoord?

Pater is weliswaar in zijn eigen huis geruime tijd afgeluisterd, maar de getapte gesprekken zijn ‘opvallend tam’. De brigadiers: ‘Je kunt je afvragen of Pater de boodschap van zijn raadsman heeft gekregen om thuis niet over de ramp te praten.’

Over de mede-directeur schrijven ze in hun interne notitie dat hij ‘een beeld schetst van een zeer aangeslagen man wiens leven verwoest is door vuurwerk, dat hij nooit meer aan wil raken’. ‘Niets is minder waar; een week na de uitspraak (april 2002, red.) stak hij vuurwerk af in het Heracles-stadion te Almelo. Typisch Glanerbrugse mentaliteit.’

Paalman en De Roy van Zuydewijn vinden ook nader onderzoek nodig naar de vorige eigenaar van Fireworks, H. Smallenbroek. Niet zozeer voor de brand, die de ramp inleidde, maar wel of er op 13 mei 2000 nog vuurwerk van hem bij Fireworks lag.

Op zondag 14 mei 2000, een dag na de fatale explosies in Enschede, wordt het recherchebijstandsteam gevormd dat de vuurwerkramp zal onderzoeken. Doelstellingen zijn te achterhalen wat er bij Fireworks is gebeurd en wie daarvoor verantwoordelijk zijn. In hun notitie stellen Paalman en De Roy van Zuydewijn dat de eerste doelstelling door de tweede is overruled.

De brigadiers wijzen erop dat ze tegen familie van De V. hebben verteld dat ‘wij als politie eerlijk en integer zijn en alle zaken, zowel in het voordeel als in het nadeel van De V., naar de rechtbank werden gebracht, zodat die een eerlijk oordeel aan de hand van de door ons verstrekte stukken kon vellen’. ‘Echter gaande het onderzoek bleek dat niet het geval te zijn. Hierdoor komen wij in botsing met onze integriteit.’