‘Top justitie dwarsboomt onderzoek’

ARNHEM/ENSCHEDE - De landelijke top van het Openbaar Ministerie heeft zich bemoeid met het onderzoek naar de vuurwerkramp. Zo heeft het college van procureurs-generaal nader onderzoek naar klusjesman K. van het ontplofte vuurwerkbedrijf S.E. Fireworks verboden.

Daarom moesten de ‘dissidente’ rechercheurs J. Paalman en C. de Roy van Zuydewijn van de rechercheleiding uit de buurt van K. blijven. ‘Wij kregen van recherchechef De Boer te horen dat dit de strategie van het college van procureurs-generaal, de Almelose hoofdofficier van justitie en de betrokken officier van justitie was’, zei rechercheur J. Paalman gisteren in zijn getuigenverhoor voor het Gerechtshof in Arnhem in de hoger beroepstrafzaken rond de vuurwerkramp.

Paalman suggereerde ook dat op hoog politiek niveau was besproken dat nader onderzoek naar de klusjesman onwenselijk was. De rechercheur: ‘Want, ook ‘Den Haag’ wilde het niet, zei de recherchechef tegen ons’. Klusjesman K. is voorzover bekend de laatste werknemer van Fireworks die het bedrijfsterrein voor de ramp rond 13.30 uur bezocht. Paalman en De Roy van Zuydewijn zijn ervan overtuigd dat K. meer over de ramp met 22 doden en 1000 gewonden weet en hadden hem daar graag over aan de tand willen voelen. Hun herhaaldelijk verzoeken om K., vlak na 13 mei 2000 verhuisd naar Groningen, te horen, werden dus niet gehonoreerd door de leiding van het Tolteam, dat de ramp onderzocht.

Het blijkt dat er twee dagen na de ramp al bij de politie een anonieme email binnenkwam waarin op de betrokkenheid van K. bij de ramp werd gewezen. In augustus 2000 kwam er informatie van de criminele inlichtingen dienst (cid) uit Friesland dat K. er meer van zou weten. Later zou uit de informatie van de cid blijken dat K. niet alleen meer wist, maar ook kennis had van de toedracht (’de hoed en de rand’).

De rechercheurs kregen een uitbrander toen ze intern bleven aandringen op meer onderzoek naar de klusjesman. De Roy van Zuydewijn: ‘In het begin van het onderzoek konden we al onze vragen aan de leiding kwijt. Maar, na de aanhouding van De V., eind januari 2001, werd het steeds moeilijker er door te komen. Toen werd alles op De V. ingezet. ‘K is klaar, jullie moeten niet zeiken’, zei een leidinggevende. Dat was mij nog nooit eerder gebeurd’.

Het bleek dat K. is verhoord door dezelfde teamleider. Deze agent kent de klusjesman goed van de voetbalclub waar K. masseur/verzorger was. Paalman noemde het ongebruikelijk dat deze leidinggevende, in zijn vrije tijd voetbaltrainer, zich met dit verhoor bezighield. K. en zijn echtgenote worden volgende week als getuigen gehoord.

De V. werd destijds aangehouden op grond van vuurwerksporen op zijn broekje en omdat er met zijn mobieltje vanuit het rampgebied was gebeld. Eind februari, begin maart kwamen Paalman en De Roy van Zuydewijn er achter dat de gsm niet van De V. kon zijn geweest en dat er iemand anders mee had gebeld.

Pogingen om dat in een proces-verbaal vast te leggen, leden lange tijd schipbreuk. Officier H. Stam kon hun lezing niet gebruiken, omdat dan een belangrijke reden verviel om De V. in voorarrest te houden. De leiding zei hen dat het tactisch beter was te wachten. Eind april werd er wel proces-verbaal opgemaakt dat veel later aan het dossier werd toegevoegd. De opsteller van dat stuk kreeg volgens de rechercheurs het verzoek van een leidinggevende om de datum op het proces-verbaal te veranderen in de datum van - de latere - aanlevering. Dan zou het niet opvallen dat politie en justitie veel eerder kennis hadden dat de gsm-theorie niet deugde. De betrokken politieman weigerde hieraan mee te werken. Gezien de tegenwerking hebben Paalman en De Roy van Zuydewijn lange tijd gedacht dat er sprake was van een complot: ‘Je denkt van: ‘Wat kan er achter zitten. Landsbelang?’ Maar de Almelose hoofdofficier van justitie verzekerde ons dat er geen complot was en dat de betrokken officier van justitie vrij kon werken. Daar was ik blij mee.’

De rechercheurs vertelden het hof ook dat ze een jaar bezig zijn geweest met onderzoek in hoeverre overheden en ambtenaren voor de ramp strafrechtelijk konden worden vervolgd. Uiteindelijk werd hiervan afgezien, omdat uit eerdere jurisprudentie zou blijken dat overheden en ambtenaren niet voor de rechter kunnen worden gebracht. Opmerkelijk was verder hun stelling dat het alibi van Fireworksdirecteur W. Pater voor zaterdagmiddag 13 mei 2000 niet ‘dichtzit’. Zo is volgens hen onduidelijk wat Pater tussen 12.30 en 15.00 uur heeft gedaan.

De ‘klokkenluiders’ houden er rekening mee dat de ramp door een uit de hand gelopen ‘bedrijfsongeval’ bij Fireworks is veroorzaakt. Achter de rug van directeur R.J. Bakker zouden die middag vuurpijlen op het bedrijfsterrein zijn afgestoken.